ECLI:NL:CRVB:2014:780
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.T. van den Corput
- J.S. van der Kolk
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
In deze zaak stond de vraag centraal of appellante, werkgever, voldoende re-integratie-inspanningen had verricht voor haar werknemer die een WIA-uitkering had aangevraagd. Het UWV had een loonsanctie opgelegd omdat appellante het re-integratieproces niet adequaat had uitgevoerd en het proces 212 weken had laten duren.
Appellante voerde aan dat de werknemer weigerde mee te werken aan de eindevaluatie en dat na de wachttijd van 104 weken geen verplichting meer bestond tot loonbetaling of re-integratie. Ook wees zij op de toekenning van een IVA-uitkering aan de werknemer, wat volgens haar het ontbreken van re-integratieverplichtingen bevestigde.
De Raad oordeelde echter dat het tijdvak voor beoordeling van de re-integratie-inspanningen liep vanaf de eerste ziektedag tot de datum van de WIA-aanvraag. Het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige concludeerde dat appellante onvoldoende had bemiddeld en gereageerd, waardoor het re-integratieproces meerdere malen stagneerde. De toekenning van de IVA-uitkering vond plaats in een ander kader en kon niet leiden tot conclusies over de re-integratie-inspanningen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de loonsanctie gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.