ECLI:NL:CRVB:2014:720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging algemene bijstand wegens overschrijding vermogensgrens bevestigd
Appellante ontving sinds 2002 bijstand op grond van de WWB. In 2011 wijzigde het college het beleid voor bijzondere bijstand, waarna de bijzondere bijstand voor eigen bijdrage thuiszorg werd beëindigd. Tevens werd de algemene bijstand geblokkeerd en beëindigd vanwege overschrijding van de vermogensgrens.
In hoger beroep betoogde appellante dat een bankrekening met saldo niet tot haar vermogen behoorde, maar tot dat van haar dochter, en dat zij niet vrij kon beschikken over deze gelden. Ook stelde zij dat een schuld aan het college in mindering gebracht moest worden op het vermogen.
De Raad oordeelde dat de tenaamstelling van de rekening niet relevant is; het ontbreken van bewijs voor een beperking van de beschikkingsmacht betekent dat het saldo tot het vermogen van appellante behoort. De schuld aan het college was pas na beëindiging van de bijstand ontstaan en kon daarom niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het vermogen.
Daarmee faalde het hoger beroep en werd de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beëindiging van de algemene bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens wordt bevestigd.