ECLI:NL:CRVB:2014:616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres te [woonplaats 1.]. Naar aanleiding van een melding dat zij samenwoonde met appellant, die op een ander adres stond ingeschreven, voerde de sociale recherche een onderzoek uit. Dit leidde tot het blokkeren van de uitbetaling van bijstand en de afwijzing van een nieuwe aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de besluiten van het college ongegrond, omdat appellante nog bijstand ontving en er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat er geen sprake was van gezamenlijke huishouding, maar van een latrelatie met aparte woningen.
De Raad oordeelde dat het college de aanvraag terecht afwees omdat de bijstand nog liep en dat uit verklaringen en onderzoeksbevindingen blijkt dat appellanten feitelijk samenwoonden op het uitkeringsadres. Het lage water- en energieverbruik bij appellant en de waarnemingen van voertuigen bevestigden dit. De Raad stelde vast dat de gezamenlijke huishouding objectief was vastgesteld, ongeacht de intenties van partijen.
Omdat appellante haar inlichtingenplicht niet nakwam, was het college bevoegd de bijstandskosten ook van appellant terug te vorderen. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Verzoeken tot schadevergoeding en rente werden afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; de bijstandsaanvraag blijft afgewezen en terugvordering gehandhaafd.