ECLI:NL:CRVB:2014:513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens beschikbaarheid arbeid
Appellante was sinds 1999 in dienst bij een werkgever en haar dienstverband eindigde op 1 september 2010. Zij had een emigratie gepland naar Spanje om daar te gaan werken, maar deze ging niet door vanwege ziekte van haar echtgenoot, die op 10 september 2010 werd opgenomen en later overleed.
Appellante vroeg op 5 mei 2012 met terugwerkende kracht een WW-uitkering aan vanaf 1 september 2010. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij niet beschikbaar zou zijn geweest voor arbeid. Ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante onvoldoende had aangetoond dat zij beschikbaar was.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat appellante wel beschikbaar was van 1 tot 10 september 2010, maar daarna niet vanwege de zorg voor haar zieke echtgenoot. De Raad vernietigt het besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.