ECLI:NL:CRVB:2014:4408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- M. Greebe
- R.E. Bakker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WGA-vervolguitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, voormalig timmerman en ploegleider, viel in 2007 uit wegens griep en chronische vermoeidheidsklachten. Vanaf 2009 ontving hij een loongerelateerde WGA-uitkering. In 2011 werd hem een WGA-vervolguitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Na bezwaar en nader onderzoek werd dit percentage in 2013 verhoogd naar 45-55%.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het Protocol Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) adequaat was toegepast. De rechtbank verwierp verder de door appellant bepleite verdere beperkingen en urenbeperking, omdat deze niet medisch onderbouwd waren voor de relevante datum.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen groter waren en dat de norm van medische objectiveerbaarheid niet passend was bij CVS. De Centrale Raad van Beroep verwierp deze stellingen, bevestigde het belang van objectieve medische maatstaven en stelde dat protocollen slechts hulpmiddelen zijn, geen afwijking van het wettelijke arbeidsongeschiktheidsbegrip.
De Raad vond het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd, zonder aanwijzingen voor partijdigheid. Ook de arbeidskundige beoordeling werd bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van een WGA-vervolguitkering met 45-55% arbeidsongeschiktheid bevestigd.