ECLI:NL:CRVB:2014:4398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als servicemedewerker en viel uit wegens rugklachten. Het UWV stelde vast dat hij per 1 januari 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. Na een operatie ontving appellant een Ziektewet-uitkering, die later werd beëindigd omdat hij geschikt werd geacht voor een andere functie.
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging van de Ziektewet-uitkering, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en zijn beperkingen werden onderschat. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsarts voldoende onderzoek had gedaan en de beperkingen juist had vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen medische gegevens waren die de eerdere conclusies ondermijnden. De Raad bevestigde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
De Raad wees ook op vaste rechtspraak dat bij blijvende ongeschiktheid voor het oude werk de beoordeling plaatsvindt aan de hand van gangbare arbeid, waarbij het voldoende is dat appellant geschikt is voor ten minste één functie. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.