ECLI:NL:CRVB:2014:4322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante ontving sinds 2002 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2006 werd deze uitkering ingetrokken na een herbeoordeling waarbij fysieke en psychische klachten werden onderzocht. Hoewel appellante psychische klachten meldde, werden deze niet als beperkingen erkend omdat zij niet in behandeling was en geen beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren werden vastgesteld.
In 2011 meldde appellante een toename van haar klachten, waarop het UWV haar opnieuw onderzocht en een WAO-uitkering toekende. Later stelde het UWV op basis van een verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de klachten niet objectief waren toegenomen en dat de psychische klachten geen beperkingen opleverden. Het bezwaar van appellante tegen het besluit tot intrekking van de uitkering werd ongegrond verklaard.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van het hoor en wederhoor, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar klachten en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht buiten de bezwaargronden om een volledige heroverweging heeft gedaan en dat de intrekking per toekomende datum is geëffectueerd.
De Raad stelde vast dat de toename van psychische klachten niet in de FML was opgenomen en dat er geen objectieve medische gegevens waren die de toename van fysieke beperkingen ondersteunden. Het onderzoek was zorgvuldig en voldeed aan de eisen van het Schattingsbesluit. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van objectieve medische grondslag voor toegenomen beperkingen.