5.De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.Appellant heeft twee redenen aangevoerd waarom hij met ingang van 5 oktober 2007 aanspraak heeft op een WAO-uitkering. Ten eerste omdat sprake is van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak, zodat aan het besluit van 28 september 2009 terecht een
Amber-beoordeling op grond van de WAO ten grondslag lag. Ten tweede omdat het Uwv door in bezwaar een WIA-uitkering toe te kennen in plaats van de bij primair besluit toegekende WAO-uitkering, appellant in een nadeliger positie heeft gebracht en dus in strijd heeft gehandeld met het verbod van reformatio in peius.
5.2.Vastgesteld dient te worden dat het Uwv naar aanleiding van de aanvraag van appellant van 21 juli 2009 om een WIA-uitkering heeft bezien of sprake is van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak. Het gaat daarbij om de datum van 6 september 2007, de datum waarop appellant zich in verband met knieklachten melding heeft gemaakt van een verslechterde gezondheidstoestand. In het kader van de toepassing van artikel 43a van de WAO dienen dan eerst de medische beperkingen ten tijde van de datum van effectuering van de intrekking
(6 april 2004) te worden vergeleken met de medische beperkingen die zijn vastgesteld voor de in verband met de melding van arbeidsongeschiktheid in aanmerking te nemen datum
(6 september 2007). De beperkingen ten tijde van de effectuering van de intrekking zijn terug te vinden in de FML van 30 september 2002.
5.3.Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient vast te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. Verwezen wordt bijvoorbeeld naar de uitspraak van 20 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP0012. De bewijslast rust in beginsel op degene die het standpunt inneemt dat geen verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval. 5.4.Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat appellant in 2002 beperkingen voor arbeid had in verband met nek-, schouder- en armklachten, maar dat toen niet al sprake was van beperkingen van de rug in verband met de later gestelde diagnose van Bechterew. De stellingen van appellant komen er in hoofdzaak op neer dat sinds 2001 sprake is van een onderliggende aandoening, zijn eerdere klachten en de lage rugklachten altijd zijn blijven bestaan en dat de klachten die hij in 2002 had, achteraf kunnen worden verklaard door de diagnose van Bechterew.
5.5.De arbeidsongeschiktheidsuitkering die in 2002 aan appellant is toegekend hield verband met klachten van appellant aan zijn nek, schouder en armen. In het verzekeringsgeneeskundige rapport van 2002, noch in dat van 2003 terzake van een herbeoordeling van de WAO-aanspraken, wordt gesproken over gewrichtsklachten. Appellant heeft zich in 2007 ziek gemeld ten gevolge van knieklachten en had daarnaast psychische klachten ontwikkeld door werkgerelateerde stress in 2007. In 2010 blijkt naar aanleiding van oogklachten dat appellant lijdt aan de ziekte van Bechterew. De door Schardijn vastgestelde spondylarthropathie is een verzamelnaam van gewrichtsziekten waaronder ook de ziekte van Bechterew valt.
5.6.De door de rechtbank ingeschakelde deskundige Schardijn heeft geconcludeerd dat er onvoldoende argumenten zijn om aan te nemen dat er in december 2002 al sprake was van spondylarthropathie. Schardijn heeft hierbij betrokken dat appellant in 1992 ongeschikt is bevonden voor militaire dienstplicht vanwege een gevonden discopathie op het niveau L5/S1, dus niet vanwege gewrichtsklachten. Daarnaast heeft Schardijn vermeld dat op de in 2010 gemaakte röntgenfoto’s van het axiale skelet en bekken, specifieke afwijkingen ontbreken zodat deze niet pleiten voor het toen al bestaan van een langdurig actieve spondylarthropathie.
5.7.Dit standpunt van Schardijn bevestigt het door het Uwv gegeven oordeel dat appellant in 2002 beperkingen voor de arbeid had in verband met nek-, schouder- en armklachten, maar dat niet toen al sprake was van beperkingen van de rug in verband met de later gestelde diagnose van Bechterew. De andersluidende stellingname van appellant wordt niet ondersteund door medische informatie. De informatie die appellant heeft overgelegd van de reumatoloog en de oogarts over de ziekte van Bechterew dateert van 2010 en daaruit is niet af te leiden dat deze diagnose eerder had dienen te worden gesteld dan wel dat beperkingen in verband hiermee reeds voor de intrekking van de uitkering per 6 april 2004 aan de orde waren. Dit betekent dat het Uwv is geslaagd in de opdracht te bewijzen dat er geen verband bestaat tussen de eerdere uitval en de uitval per 6 september 2007.
5.8.Uit 5.7 volgt dat het besluit van 28 september 2009 op een onjuiste grondslag berustte en dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellant geen aanspraak heeft op een
WAO-uitkering terzake van zijn arbeidsongeschiktheid per 6 september 2007, zodat deze uitkering ten onrechte is toegekend. Hiermee komt de vraag op welke consequenties hieraan dienen te worden verbonden gelet op het verbod van reformatio in peius. Appellant heeft ter zitting van de Raad nader uiteengezet dat hij door het omzetten van een WAO- in een
WIA-uitkering is benadeeld omdat de WAO-uitkering langer kan doorlopen en niet de aan de inkomenseis verbonden consequenties van de Wet WIA kent.
5.9.Uitgangspunt is dat een heroverweging in bezwaar kan leiden tot een verslechtering van de rechtspositie van een betrokkene indien een bestuursorgaan ook zonder dat bezwaar zou zijn ingediend, hiertoe kan overgaan. Deze verslechtering kan in verband met het aan het verbod van reformatio in peius ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel, in beginsel eerst per toekomende datum worden geëffectueerd. Hetzelfde rechtszekerheidsbeginsel is van belang bij de toepassing van artikel 36a van de WAO. Artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WAO brengt een gehoudenheid voor het Uwv met zich om in gevallen dat een uitkering ten onrechte is verleend tot intrekking van de uitkering over te gaan. De bewoordingen van dit artikelonderdeel noch doel en strekking staan er in beginsel aan in de weg dat dit met terugwerkende kracht geschiedt, maar onder omstandigheden kan dit in strijd zijn met het beginsel van rechtszekerheid, dan wel een (andere) ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.
5.10.In de systematiek van de WAO en de WIA is het niet mogelijk om terzake van dezelfde arbeidsongeschiktheidsmelding zowel een WAO- als een WIA-uitkering toe te kennen. Hierbij zij gewezen op artikel 120 van de Wet WIA dat bepaalt dat geen recht op
WIA-uitkering bestaat indien de betrokkene recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43a van de WAO.
5.11.Het voorgaande betekent dat het Uwv, los van de vraag of bezwaar is gemaakt, ingevolge artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WAO gehouden was tot intrekking over te gaan. Weliswaar vloeit uit het onder 5.9 besproken rechtszekerheidsbeginsel voort dat de intrekking in beginsel eerst per toekomende datum kan geschieden, maar dat zou in het geval van appellant betekenen dat er na de intrekking van de WAO-uitkering geen aanspraak kan ontstaan op een WIA-uitkering. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat uit de systematiek van de wet voortvloeit dat het Uwv de met ingang van 5 oktober 2007 toegekende
WAO-uitkering terecht heeft ingetrokken en vervolgens terecht heeft beoordeeld of appellant terzake van de ziekmelding van 6 september 2007 aanspraak op een WIA-uitkering (en een daaraan voorafgaande uitkering op grond van de Ziektewet) kan maken.
5.12.De beoordeling van de WIA-aanspraken van appellant heeft geleid tot besluit 2, waarbij is vastgesteld dat appellant met ingang van 3 september 2009 recht heeft op een
WIA-uitkering en dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op de klasse van 35 tot 80%. In hoger beroep heeft appellant tegen deze beoordeling aangevoerd dat er ten onrechte in de FML geen urenbeperking is opgenomen.
5.13.De door de rechtbank ingeschakelde deskundige Schardijn heeft in zijn rapport van
12 december 2011 over de in het kader van de WIA-beoordeling relevante datum van
3 september 2009 geoordeeld dat hij zich grotendeels kan verenigen met de in de FML van
10 maart 2010 neergelegde beperkingen. Hij heeft enige suggesties voor uitbreiding gegeven, onder meer in verband met het door appellant gemelde fenomeen van langdurige ochtendstijfheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 24 januari 2012 te kennen gegeven in de bemerkingen van Schardijn geen aanleiding te zien voor een urenbeperking. De bezwaarverzekeringsarts heeft het standpunt ingenomen dat, voor zover er op de datum in geding al sprake zou zijn van ochtendstijfheid - er waren toen immers nog geen aanwijzingen voor een actieve spondylarthropathie - deze niet langdurend is. De bezwaarverzekeringsarts heeft hiertoe verwezen naar het dagverhaal van appellant waaruit blijkt dat hij snel na het opstaan actief kan worden. Voldoende in verband met de ochtendstijfheid is volgens de bezwaarverzekeringsarts om een half uur eerder op te staan en met oefeningen en een warme douche de stijfheid te verminderen. Ook overigens ziet de bezwaarverzekeringsarts in het kader van de standaard verminderde arbeidsduur geen reden voor een urenbeperking. Deze door de bezwaarverzekeringsarts gegeven motivering is deugdelijk. Nu appellant zijn stelling dat sprake is de noodzaak van een urenbeperking in verband met een verhoogde rust- en recuperatiebehoefte niet met medische stukken heeft onderbouwd, is er geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van het Uwv dat een urenbeperking niet aangewezen is.
5.14.Appellant heeft in hoger beroep verder geen gronden aangevoerd tegen de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidskundige onderbouwing van de WIA-beoordeling. Er is geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de FML van 10 maart 2010 en op basis van deze FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige functies kunnen selecteren waarmee voor appellant een verlies aan verdienvermogen resteert van 36,25%, zodat aan appellant terecht met ingang van 3 september 2009 een WGA-uitkering is toegekend.
5.15.Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De Raad is van oordeel dat het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, moet worden afgewezen. De termijn is aangevangen op 4 november 2009, de dag waarop het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 28 september 2009 heeft ontvangen. De Raad doet op 25 oktober 2013 in hoger beroep uitspraak, zodat de redelijke termijn van vier jaar voor de totale duur van de procedure niet is overschreden.
6.1.Uit hetgeen in 5.2. tot en met 5.14 is overwogen volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er per 6 september 2007 geen sprake is van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak, dat er geen medische noodzaak is voor het aannemen van urenbeperking en dat het verlies aan verdienvermogen 36,25% bedraagt. De rechtbank heeft echter ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen het beroep tegen besluit 1 en het beroep tegen besluit 2 en ten onrechte de intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht beoordeeld als een weigering van WAO-uitkering.
6.2.Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen besluit 1 voor zover dat is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren, omdat appellant bij deze beoordeling geen belang heeft gelet op het nadien genomen besluit 2 waarin het bezwaar alsnog gegrond is verklaard.
6.3.Uit hetgeen in 5.2 tot en met 5.7 is overwogen volgt dat het beroep tegen besluit 1, voor zover daarin het primaire besluit van 28 september 2009 is ingetrokken, ongegrond wordt verklaard. Uit 5.12 tot en met 5.14 volgt dat het beroep voor zover dat zich richt tegen besluit 2, ongegrond wordt verklaard.