ECLI:NL:CRVB:2014:4269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel verlaging Ziektewetuitkering wegens niet meewerken aan psychiatrisch onderzoek
Appellant was tot november 2005 werkzaam als koerier en ontving aansluitend een Werkloosheidswetuitkering. Vanaf november 2011 meldde hij zich ziek en kreeg ziekengeld toegekend. Naar aanleiding van een verzekeringsarts werd een psychiatrisch onderzoek bevolen, waarvoor appellant werd opgeroepen. Hij verscheen niet bij twee afspraken bij psychiater Janssens, terwijl hij meende alleen door psychiater Gras onderzocht te hoeven worden.
Het UWV legde daarom een maatregel op van 100% verlaging van de Ziektewetuitkering, later teruggebracht tot 20%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende meewerkte aan het noodzakelijke geneeskundig onderzoek. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van een vertrouwensbreuk en dat hij zich niet hoefde te laten onderzoeken door een andere psychiater.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant had moeten meewerken aan het door het UWV aangewezen onderzoek en dat hij zich tot het UWV had moeten wenden bij onduidelijkheden. Het niet verschijnen zonder geldige reden is een schending van een verplichting van de tweede categorie en rechtvaardigt de opgelegde maatregel. Er was geen sprake van dringende reden om de maatregel te matigen of te laten vervallen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De maatregel van 20% verlaging van de Ziektewetuitkering wegens het niet meewerken aan het psychiatrisch onderzoek wordt bevestigd.