ECLI:NL:CRVB:2014:4251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens na onderbreking
Appellant ontving sinds 1 januari 2004 bijstand op grond van de WWB. Na intrekking van de bijstand per 3 augustus 2010 en een nieuwe aanvraag op 16 september 2010, stelde het college vast dat appellant op dat moment een vermogen had dat de toegestane grens overschreed. Het college trok de bijstand opnieuw in en vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand terug.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting niet had geschonden vanwege een verkorte aanvraag waarbij niet naar het vermogen werd gevraagd, maar bevestigde dat sprake was van een nieuwe bijstandsperiode na een onderbreking van meer dan 30 dagen. De rechtbank stelde dat het college rekening moest houden met de schuld aan het college en een interingsnorm bij vermogensvaststelling.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad dat artikel 34, tweede lid, onder c, WWB niet van toepassing is op spaargelden opgebouwd tijdens een eerdere bijstandsperiode, maar alleen op spaargelden tijdens een lopende bijstandsperiode. Door de onderbreking van meer dan 30 dagen is een nieuwe bijstandsperiode aangevangen en dient het actuele vermogen te worden meegewogen. Het college handelde niet onredelijk en mocht vasthouden aan de strikte toepassing van de vermogensgrens. Ook zijn geen dringende redenen voor kwijtschelding van de terugvordering vastgesteld.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit en de intrekking van de bijstand en terugvordering van € 846,51.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens na een onderbreking van meer dan 30 dagen wordt bevestigd.