ECLI:NL:CRVB:2014:4127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over een loonsanctie opgelegd door het UWV aan een werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.
Het UWV had het recht op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken omdat de werkgever onvoldoende had meegewerkt aan de re-integratie van een zieke werknemer. De rechtbank stelde vast dat de werkgever onvoldoende overleg voerde met de bedrijfsarts en geen adequate urenopbouw had gedocumenteerd, waardoor re-integratiemogelijkheden werden gemist. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand nadat het UWV de motivering verbeterde.
In hoger beroep voerde de werkgever aan dat zij zich intensief had ingezet en dat de werknemer niet meer dan twee uur per week kon werken vanwege pijnklachten, bevestigd door een neuroloog. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de werkgever de functionele mogelijkheden van de werknemer niet volledig had benut en dat de klachten, hoewel moeilijk objectief te maken, reëel waren maar niet tot een verdere beperking dan vier uren per dag leidden.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep van de werkgever. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de loonsanctie terecht is opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever.