ECLI:NL:CRVB:2014:4119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens niet-verzekering in Cyprus
Appellant ontving vanaf 1 april 2011 een WW-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) trok deze uitkering in over de periode 1 april tot 22 mei 2011 en vorderde het betaalde bedrag van €5.099,76 terug, omdat appellant niet verzekerd was in Cyprus. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Daarnaast werd een aanvraag tot WW-uitkering afgewezen en het bezwaar tegen die afwijzing niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betaling van het griffierecht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond en het beroep tegen het tweede besluit niet-ontvankelijk. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank dossiers verwisseld had, verkeerde feiten gebruikte en stukken ten onrechte betrok. Ook stelde hij dat zijn arbeid in Cyprus als in Nederland verricht moest worden beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank geen fouten had gemaakt in de dossierbehandeling en dat uit een brief van het Cypriotische ministerie bleek dat appellant niet verzekerd was en ook niet bij de opgegeven werkgever had gewerkt. De Raad bevestigde dat het beroep tegen het tweede besluit terecht niet-ontvankelijk was verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.