Uitspraak
OVERWEGINGEN
11 augustus 2010 op de grond dat hij meent dat deze voor hem gunstige uitspraak niet heeft geleid tot uitbetaling van wettelijke rente.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek ingediend tot herziening van een uitspraak van 11 augustus 2010, waarin een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam was vernietigd en het beroep gegrond verklaard. Verzoeker stelde dat de uitspraak niet had geleid tot uitbetaling van wettelijke rente en vroeg daarom herziening.
De Raad overwoog dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening alleen kan worden toegepast op grond van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, niet bekend waren en bij bekendheid tot een andere uitspraak zouden hebben geleid. Het verzoek diende feitelijke aangelegenheden te betreffen en niet een hernieuwde discussie over het oordeel van de Raad.
De Raad stelde vast dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die aan de criteria voldeden. Het verzoek was feitelijk een poging om het eerdere oordeel opnieuw ter discussie te stellen, wat niet is toegestaan. Daarom werd het verzoek om herziening afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzitter J.S. van der Kolk en griffier H.J. Dekker op 3 december 2014.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.