Uitspraak
.
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%, later herzien naar 65 tot 80%. Het UWV stelde vast dat appellant daarnaast inkomsten had uit een vennootschap onder firma, waardoor hij onverschuldigd uitkering had ontvangen. Daarom werd een bedrag van €57.245,11 teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering en stelde dat sprake was van belastingschade en andere financiële problemen die een dringende reden zouden vormen om van terugvordering af te zien. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was en dat geen sprake was van een dringende reden.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat de terugvordering reparatoir van aard is en niet punitief, en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de terugvordering tot financieel of sociaal onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De belastingschade werd niet als voldoende dringende reden erkend.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering en dat er geen aanleiding is om af te zien van terugvordering. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WGA-uitkering omdat geen dringende redenen tot kwijtschelding zijn aangetoond.