ECLI:NL:CRVB:2014:4037
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en gezamenlijke huishouding
Appellant, die een aannemersbedrijf had dat in 2010 failliet ging, ontving bijstand op grond van de WWB. Na een melding en onderzoek door de sociale recherche werd vastgesteld dat appellant werkzaamheden verrichtte die op geld waardeerbaar zijn en dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon. Het college blokkeerde vervolgens de uitbetaling van bijstand en trok deze in, met terugvordering van de ontvangen bedragen.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellant ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat het college op goede gronden de blokkering en intrekking kon uitvoeren vanwege het gegronde vermoeden van schending van de inlichtingenverplichting. De werkzaamheden van appellant vielen onder op geld waardeerbare activiteiten die van belang zijn voor het recht op bijstand.
Verder is vastgesteld dat appellant en de betrokken persoon een gezamenlijke huishouding voerden, gebaseerd op verklaringen, waarnemingen en administratieve gegevens. De Raad wijst het beroep van appellant af en bevestigt de terugvordering van de bijstand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en het voeren van een gezamenlijke huishouding.