Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, afkomstig uit Burundi en sinds 2005 in Nederland verblijvend, vroeg kinderbijslag aan voor haar in Nederland geboren dochter. De Sociale verzekeringsbank wees dit af omdat appellante geen geldige verblijfsvergunning heeft, een vereiste volgens artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Na afwijzing in bezwaar en rechtbankprocedure werd het hoger beroep ingesteld. Appellante verwees naar een klacht bij het VN-Mensenrechtencomité en vroeg aanhouding van de procedure. De Raad oordeelde dat aanhouding niet opportuun was vanwege de onzekere termijn en mogelijke gevolgen van het VN-onderzoek.
De Raad bevestigde dat op grond van nationaal recht geen recht op kinderbijslag bestaat zonder geldige verblijfsvergunning. Internationale gronden werden niet nader onderbouwd en schrijnende omstandigheden ontbraken. De Raad volgde eerdere jurisprudentie en handhaafde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op kinderbijslag wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning.