Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, met de Azerbeidzjaanse nationaliteit, vroeg kinderbijslag aan voor haar in Nederland geboren kind. De Sociale Verzekeringsbank wees de aanvraag af omdat zij geen geldige verblijfsvergunning had en daardoor niet verzekerd was volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en in hoger beroep voerde appellante aan dat internationale mensenrechtennormen een individuele afweging vereisen die haar niet mag uitsluiten van kinderbijslag. Tevens werd een klacht ingediend bij het VN-Mensenrechtencomité.
De Raad oordeelde dat het nationale recht geen recht op kinderbijslag verleent zonder verblijfsvergunning en dat internationale verdragen, waaronder het EVRM, IVBPR, ESH en IVRK, geen aanleiding geven om hiervan af te wijken. Er waren geen schrijnende omstandigheden die het koppelingsbeginsel buiten toepassing zouden laten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt afgewezen en het besluit tot afwijzing van kinderbijslag wordt bevestigd.