ECLI:NL:CRVB:2014:3844
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken geldige verblijfsvergunning
Appellant, afkomstig uit Burundi, verblijft sinds 2007 met zijn kinderen in Nederland en ontving aanvankelijk kinderbijslag. Dit recht werd beëindigd vanaf het eerste kwartaal van 2011 omdat hij geen geldige verblijfsvergunning meer had. Nieuwe aanvragen werden afgewezen en de rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het internationale recht, met name het IVRK, bescherming biedt tegen uitsluiting van kinderbijslag, en bracht een klacht in bij het VN-Mensenrechtencomité. De Raad oordeelde dat appellant op grond van het nationale recht geen recht heeft op kinderbijslag en dat er geen schrijnende omstandigheden zijn die het koppelingsbeginsel buiten toepassing laten.
De klacht bij het VN-Mensenrechtencomité en het feit dat appellant eerder een geldige verblijfsvergunning had, leiden niet tot een ander oordeel. De bestreden besluiten worden bevestigd en er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op kinderbijslag wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning.