ECLI:NL:CRVB:2014:3843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag zonder geldige verblijfsvergunning volgens AKW
Appellante, afkomstig uit Burundi, kwam in 2006 naar Nederland en haar kind werd in datzelfde jaar in Nederland geboren. Zij ontving aanvankelijk kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), maar dit recht werd beëindigd vanaf het eerste kwartaal van 2010 vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning.
Na een nieuwe aanvraag in 2012, die werd afgewezen door de Sociale verzekeringsbank (Svb) omdat appellante geen verblijfsvergunning had, werd het bezwaar eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 2012.
In hoger beroep voerde appellante aan dat internationale verdragsrechten, zoals het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), niet voldoende waren betrokken en dat eerdere kinderbijslag zou moeten meewegen. De Raad oordeelde dat er geen schrijnende omstandigheden waren die het koppelingsbeginsel konden doorbreken en dat de internationale argumenten niet tot een ander oordeel leidden.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de eerdere uitspraak, en wees een verzoek om toepassing van artikel 8:75 Awb Pro af. De uitspraak werd gedaan door E.E.V. Lenos op 21 november 2014.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op kinderbijslag zonder geldige verblijfsvergunning; het bestreden besluit wordt bevestigd.