ECLI:NL:CRVB:2014:3822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant ontving sinds 22 oktober 2003 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het UWV weigerde bij besluit van 3 november 2010 de herziening van deze uitkering per 1 maart 2010. Na bezwaar en meerdere medische en arbeidskundige onderzoeken oordeelde de rechtbank dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn beperkingen waren toegenomen.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn rugklachten en beperkingen waren toegenomen sinds 2003, wat aanleiding zou moeten zijn voor herziening. De Raad overwoog dat herziening ingevolge artikel 37 WAO Pro alleen plaatsvindt bij een onafgebroken toename van arbeidsongeschiktheid van 104 weken, en niet indien de toename voortkomt uit een andere oorzaak dan waarvoor de uitkering werd toegekend.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn beperkingen waren toegenomen door dezelfde oorzaak. Hoewel appellant ernstige darmklachten had, was niet gebleken dat deze gerelateerd waren aan de rugklachten die tot de oorspronkelijke uitkering leidden. De arbeidskundige rapporten toonden aan dat appellant in staat was functies te vervullen met een inkomen dat overeenkomt met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering wordt geweigerd omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn beperkingen zijn toegenomen door dezelfde oorzaak.