ECLI:NL:CRVB:2014:3770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verlaging bijstand wegens onjuiste grondslag en onvoldoende feitelijke onderbouwing
Appellant was werkzaam als medewerker reiniging en viel uit wegens lichamelijke klachten. Het UWV wees zijn WW-uitkering af omdat hij passende werkzaamheden bij zijn werkgever zou hebben geweigerd. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam kende bijstand toe, maar legde een verlaging van 100% op wegens het niet behouden van arbeid, gebaseerd op artikel 9 WWB Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege medische klachten niet in staat was het aangepaste werk te verrichten. De Raad oordeelde dat de verlaging van de bijstand berustte op een onjuiste grondslag omdat de verplichting tot het behouden van arbeid niet valt onder de verplichting tot het aanvaarden van arbeid zoals bedoeld in artikel 9 WWB Pro.
Daarnaast ontbrak een voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat appellant een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid had, mede omdat het college geen eigen medisch onderzoek had gedaan en het UWV het verwijtbare werkloosheidsstandpunt niet had gehandhaafd bij bezwaar.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en herroept het besluit tot verlaging van de bijstand. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% wordt vernietigd en het bestreden besluit wordt herroepen wegens onjuiste grondslag en onvoldoende feitelijke onderbouwing.