ECLI:NL:CRVB:2014:3765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na verkoop woning wegens overschrijding vermogensgrens
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en was eigenaar van een woning. Na verkoop van deze woning ontving appellant een bedrag van €104.651,93, waarmee hij de vermogensgrens overschreed. Het college trok de bijstand met ingang van de verkoopdatum in. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de vermogensvaststelling onzorgvuldig was en dat hij onvoldoende geïnformeerd was over de periode waarin hij verantwoorde intering op zijn vermogen moest toepassen. De Raad oordeelde dat het college een inzichtelijke vermogensvaststelling had gedaan en dat de precieze vaststelling niet vereist was omdat appellant zelf erkende dat het vermogen de grens overschreed.
Verder stelde de Raad dat het college niet verplicht is om bij intrekking van bijstand op grond van vermogen aan te geven wanneer appellant weer recht op bijstand kan hebben door intering. Ook hoeft het college zich niet uit te laten over de schenking aan de dochter bij een toekomstig beroep op bijstand. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant de vermogensgrens overschreed.