ECLI:NL:CRVB:2012:BV8657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering en redelijke termijn beoordeling
Appellant ontving bijstand tot maart 2004 en erfde in 2003 een vermogen. Het College trok de bijstand in vanwege het vermogen boven de vrij te laten grens en vorderde later een deel van de bijstand terug.
De rechtbank vernietigde deels de terugvordering en kende een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellant stelde hoger beroep in en voerde aan dat het College te laat besliste en dat de terugvordering onbillijk was.
De Raad oordeelde dat het College niet verplicht is om aan te geven wanneer appellant weer recht op bijstand heeft na verantwoord interen op het vermogen. De vertraging in de bezwaarprocedure werd deels aan appellant toegerekend omdat hij niet tijdig de benodigde stukken aanleverde.
Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen reden voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.