ECLI:NL:CRVB:2014:3705

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 november 2014
Publicatiedatum
12 november 2014
Zaaknummer
13-751 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV en toekenning proceskostenvergoeding in WW-zaken

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Assen over een terugvordering van een voorschot op een WW-uitkering. De Raad verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin de feiten zijn uiteengezet en constateerde dat het UWV een gebrek in het besluit heeft hersteld door het terugvorderingsbedrag nader vast te stellen op € 1.370,20.

Appellant stemde in met de nieuwe berekening en verzocht om vergoeding van proceskosten en wettelijke rente. Het UWV stelde dat de zaken van appellant en twee andere betrokkenen samenhangend waren en bood een totaalbedrag van € 2.435,- aan proceskostenvergoeding aan. De Raad oordeelde echter dat ondanks gelijke werkzaamheden het ging om verschillende besluiten en procedures, waardoor geen sprake was van samenhangende zaken.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten van € 2.435,- en stelde vast dat het punt van wettelijke rente geen geschil meer vormde. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.

Uitkomst: Het besluit van het UWV en de aangevallen uitspraak worden vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.435,- aan appellant.

Uitspraak

13/751 WW
Datum uitspraak: 12 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van
27 december 2012, 11/832 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft op 5 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:989) een tussenuitspraak gedaan.
Het Uwv heeft op 8 mei 2014 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft een zienswijze op het nadere besluit ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet is afgezien van een nader onderzoek ter zitting en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.De Raad verwijst voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat naar zijn tussenuitspraak van 5 maart 2014.
2. Met het besluit van 8 mei 2014 heeft het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld. Het Uwv heeft de terugvordering van het voorschot op de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) in afwijking van de eerdere besluitvorming nader vastgesteld op € 1.370,20.
3.1.
Appellant heeft medegedeeld zich te kunnen verenigen met de nieuwe berekening van het Uwv en het daaruit voortvloeiende terugvorderingsbedrag. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep ter hoogte van
€ 2.435,-, alsmede schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente ter hoogte van
€ 1.391,25.
3.2.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaken van appellant, E.A. [S.] ([S.]) en P.J. [L.] ([L.]), die ter zitting van de Raad op 11 december 2013 gevoegd zijn behandeld, aan te merken zijn als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit). Het Uwv heeft zich bereid verklaard in deze drie zaken een totaalbedrag van € 2.435,- aan proceskosten te vergoeden. Het Uwv heeft verder gesteld dat inmiddels aan appellant een bedrag aan wettelijke rente is vergoed van € 1.440,47.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uit overwegingen 4.2 tot en met 4.5 van de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.
4.2.
Met het besluit van 8 mei 2014 heeft het Uwv het bedrag van de terugvordering van het WW-voorschot nader vastgesteld. Uit de zienswijze van appellant volgt dat hij zich met dit terugvorderingsbedrag kan verenigen. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb wordt dit besluit niet in de beoordeling betrokken.
5. Appellant heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van wettelijke rente.
Gelet op de hoogte van het door het Uwv vergoede bedrag aan wettelijke rente wordt het
ervoor gehouden dat dit punt geen onderwerp van geschil meer is.
6. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.217,50 in beroep en € 1.217,50 in hoger beroep, in totaal € 2.435,-. Aan te nemen valt dat de werkzaamheden die in de zaken van appellant, [S.] en [L.] gemoeid zijn geweest met het instellen van beroep en hoger beroep grotendeels dezelfde zijn geweest. Het gaat hier evenwel om verschillende uitkeringsperioden, verschillende terugvorderingsbedragen, drie verschillende besluiten, drie verschillende beroepschriften in eerste aanleg, drie uitspraken van de rechtbank en drie hoger beroepschriften. Om die reden kunnen de (hoger) beroepen van appellant, [S.] en [L.] niet aangemerkt worden als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.435,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in
totaal € 156,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) H.J. Dekker

RB