ECLI:NL:CRVB:2014:3671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. de Mooij
- G. van Zeben-de Vries
- D.S. de Vries
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot kwijtschelding eigen bijdrage AWBZ na herziening met terugwerkende kracht
Betrokkene had een eigen bijdrage voor verblijf in een AWBZ-instelling, die aanvankelijk was vastgesteld op €490,45 per maand. Na een herziening met terugwerkende kracht werd deze bijdrage eerst op €0,- gezet, vervolgens weer terug op €490,45, wat leidde tot een geldvordering van €2.452,25. Betrokkene verzocht om kwijtschelding van €490,45 wegens fouten van het CAK, maar dit verzoek werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en schold het bedrag kwijt.
Het CAK ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er aanleiding was om niet tot invordering over te gaan. De Raad stelde vast dat de eigen bijdrage een geldschuld is waarop titel 4.4 van de Awb van toepassing is, maar dat deze titel geen algemene regeling voor kwijtschelding bevat. Omdat het hier om een discretionaire bevoegdheid gaat, kan het bestuursorgaan de schuld geheel of gedeeltelijk kwijt schelden, maar alleen als er gegronde omstandigheden zijn.
Betrokkene had echter geen omstandigheden aangevoerd die kwijtschelding rechtvaardigen. De Raad concludeerde dat het CAK terecht het verzoek had afgewezen en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en de betalingsverplichting bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de eigen bijdrage blijft verschuldigd.