Appellante verbleef sinds juli 2008 in een zorgcentrum met een indicatie op grond van de AWBZ. CAK had de eigen bijdrage voor haar zorg aanvankelijk vastgesteld op een lage bijdrage, maar herzag deze met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2011 naar een hogere bijdrage. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening, dat door CAK werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante rekening had moeten houden met een wijziging van de bijdrage.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij mocht vertrouwen op de juistheid van de lage bijdrage en dat zij door de niet-functionerende rekentool en bevestigende brief van CAK niet hoefde te twijfelen. De Raad overwoog dat het bestuursorgaan bevoegd is fouten te herstellen mits dit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad vond dat appellante vragen had moeten stellen over de bijdrage en dat de herziening niet in strijd was met rechtszekerheid.
Echter oordeelde de Raad dat de terugwerkende kracht van 1 tot 1,5 jaar, zoals toegepast door CAK, in strijd is met het verbod van willekeur. Daarom vernietigde de Raad het besluit voor zover het terugwerkte tot 1 juli 2011 en bepaalde zelf een terugwerkende periode tot 1 augustus 2011. Tevens werd CAK veroordeeld in de proceskosten van appellante.