ECLI:NL:CRVB:2014:3565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van kasstortingen als inkomen bij bijstandsverlening
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en had in een eerdere periode een grote betaling ontvangen. Na opschorting van de bijstand wegens het niet tijdig verstrekken van informatie, ontving appellant tussen oktober 2012 en maart 2013 zeven kasstortingen variërend van €200 tot €700. Het college van burgemeester en wethouders van De Marne bracht deze kasstortingen in mindering op de bijstand, stellende dat het inkomen betrof zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, WWB.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de kasstortingen leningen van zijn ouders waren en geen inkomen. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak het aangaan van leningen in beginsel geen recht op bijstand uitsluit, tenzij de betrokkene in een periode zonder bijstand of inkomen aangewezen was op leningen voor levensonderhoud. Dit was hier niet het geval, omdat appellant in de voorafgaande periode bijstand ontving en een grote betaling had ontvangen.
De Raad concludeerde dat de kasstortingen als periodiek inkomen moesten worden aangemerkt en bevestigde het bestreden besluit. Tevens wees de Raad het verzoek van appellant tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de kasstortingen worden als inkomen aangemerkt, waardoor de bijstand niet wordt toegekend over de betreffende periode.