Uitspraak
OVERWEGINGEN
Kamerstukken II2005/06, 30 665, nr. 3) is met deze regeling beoogd de rechten te eerbiedigen van de beperkte groep uitkeringsgerechtigden wier recht op uitkering op
Kamerstukken II2011/12, 33 162, nr. 3, p. 2). Appellant kan om die reden worden gevolgd in zijn standpunt dat ten tijde van het ontstaan van het recht op ouderdomspensioen, artikel 4 van Pro het Verdrag geen deel meer uitmaakte van het Nederlandse recht.
Kamerstukken II2011/12, 33 162, nr. 2). De Raad begrijpt hieruit dat deze overgangsregels door appellant naar analogie worden gehanteerd als vaste gedragslijn. Artikel 62 van Pro de AOW luidde destijds: