Uitspraak
28 februari 2013, 12/971 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg meerdere malen bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Tijdens het aanvraagproces vroeg het college haar om nadere financiële gegevens, waaronder documenten over een perceel grond en een gebouw in Turkije. Appellante leverde deze gegevens niet volledig aan, waardoor het college haar aanvraag afwees wegens onvoldoende inlichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad oordeelde dat appellante niet voldeed aan haar wettelijke inlichtingenverplichting, omdat zij onvoldoende duidelijkheid verschafte over haar vermogen, met name met betrekking tot het onroerend goed in Turkije.
Appellante voerde aan dat zij niet over de gevraagde stukken beschikte en dat haar vermogen door schulden negatief was. De Raad verwierp deze argumenten, omdat het ontbreken van essentiële gegevens voor haar risico kwam en de waarde van het onroerend goed niet kon worden vastgesteld. Ook de klacht over vermeende willekeur van het college werd ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag om bijstand en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 21 oktober 2014.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende verstrekte financiële gegevens over het vermogen in Turkije.