ECLI:NL:CRVB:2014:3333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor lichte arbeid
Appellant ontving tot 2008 een WAO-uitkering en meldde zich in 2011 ziek, waarna het UWV een Ziektewetuitkering toekende. Het UWV beëindigde deze uitkering per 2 februari 2012 omdat appellant volgens medisch onderzoek geschikt werd geacht voor ten minste een van de functies die eerder in het kader van de WAO-beoordeling waren geselecteerd, waaronder de functie van magazijnmedewerker.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen de weigering van een WAO-uitkering vanaf 7 februari 2011, stellende dat zijn beperkingen door hart- en longklachten werden onderschat en dat de functie van magazijnmedewerker niet geschikt was vanwege fysieke belasting. De rechtbank verklaarde beide beroepen ongegrond, stellende dat het UWV zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat de beperkingen niet zodanig waren dat toekenning van uitkering gerechtvaardigd was.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad oordeelde dat de medische gegevens geen aanwijzingen boden voor ernstige beperkingen die het verrichten van lichte arbeid in de weg stonden. De functie van magazijnmedewerker werd als passend beoordeeld op basis van de functiebeoordeling en medische rapporten. De Raad vond geen grond voor toekenning van een WAO-uitkering vanaf 7 februari 2011, omdat de longontsteking adequaat was behandeld en geen langdurige toegenomen beperkingen veroorzaakte.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering beëindigde en de WAO-uitkering weigerde. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en de weigering van de WAO-uitkering wegens geschiktheid voor lichte arbeid.