ECLI:NL:CRVB:2014:3322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling stelling aanvraag bijstand wegens onvoldoende gegevens
Appellant diende samen met zijn echtgenote een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verzocht appellant meerdere malen om ontbrekende bewijsstukken, waaronder bankafschriften, om de aanvraag te kunnen beoordelen. Ondanks een verlenging van de termijn leverde appellant niet alle gevraagde stukken tijdig aan.
Het college stelde de aanvraag daarop buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door het college en vervolgens ook door de rechtbank Midden-Nederland. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat het college terecht om de gevraagde gegevens had verzocht en dat het niet tijdig aanleveren daarvan rechtvaardigt dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. Nadere stukken die appellant pas in de bezwaarfase overlegde, konden niet meer in aanmerking worden genomen. Ook het beroep op verdragsbepalingen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 16 WWB Pro faalde, omdat appellant niet behoorde tot een niet-rechthebbende groep.
De Raad concludeerde dat het college bevoegd was en in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht buiten behandeling gesteld wegens onvoldoende verstrekte gegevens.