ECLI:NL:CRVB:2014:3260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toelating maatschappelijke opvang wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Appellante, van Roma-afkomst en zonder rechtmatig verblijf in Nederland, verzocht om maatschappelijke opvang bij het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch. Het college wees haar aanvraag af omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij beschikte over een kamer en toegang had tot opvang op een vrijheidsbeperkende locatie bij medewerking aan vrijwillig vertrek naar Kosovo. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat dakloosheid vanwege haar kwetsbare gezondheid voorkomen moest worden.
De Raad sloot zich aan bij eerdere jurisprudentie en oordeelde dat appellante gebruik had kunnen maken van opvangvoorzieningen binnen het vreemdelingenrecht. Bovendien was zij feitelijk opgevangen in een particuliere woning gedurende de relevante periode. De weigering tot maatschappelijke opvang was in evenwicht met de publieke belangen.
Het hoger beroep werd verworpen, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang bevestigd.