ECLI:NL:CRVB:2014:3259
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering onterecht wegens ontbreken poging tot tenuitvoerlegging vrijheidsstraf
Betrokkene ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd beëindigd op grond van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. De straf was een taakstraf die was omgezet in een gevangenisstraf, maar betrokkene was niet op de hoogte van deze omzetting en vertrok naar België. Het UWV stelde dat betrokkene zich onttrok aan de straf, mede omdat hij in het opsporingsregister was opgenomen.
De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van het UWV. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het UWV niet aannemelijk had gemaakt dat de Nederlandse overheid daadwerkelijk pogingen had ondernomen om de straf ten uitvoer te leggen, anders dan de opname in het opsporingsregister.
De Raad stelde dat opname in het opsporingsregister niet automatisch betekent dat sprake is van onttrekking, zeker als de overheid geen verdere pogingen tot tenuitvoerlegging heeft gedaan. Ook het indienen van een gratieverzoek door betrokkene maakte het onttrekken aan de straf niet ongedaan, maar was in dit geval niet relevant omdat geen sprake was van onttrekking.
De WAO-uitkering werd daarom ten onrechte beëindigd en het besluit van het UWV werd vernietigd en herroepen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De WAO-uitkering van betrokkene is ten onrechte beëindigd en het besluit van het UWV is vernietigd en herroepen.