ECLI:NL:CRVB:2014:3244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering toeslag wegens verzwegen inkomsten en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving een toeslag op grond van de Toeslagenwet, maar verzweeg de inkomsten van zijn partner, appellante, uit arbeid over de periode van 21 juni 2007 tot 21 december 2008. Het UWV beëindigde de toeslag met terugwerkende kracht en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. Tevens werd een boete opgelegd aan appellante wegens het niet melden van haar inkomsten.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond en oordeelde dat zij hun inlichtingenplicht hadden geschonden. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat zij de inkomsten wel hadden gemeld en dat het UWV niet adequaat had gereageerd, maar deze stellingen werden niet onderbouwd met nieuwe stukken.
De Raad oordeelde dat het niet melden van de inkomsten een schending van de inlichtingenplicht is en dat het UWV terecht de toeslag heeft ingetrokken en het bedrag heeft teruggevorderd. De boete is passend en evenredig. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de toeslag heeft beëindigd, teruggevorderd en een boete heeft opgelegd wegens verzwegen inkomsten.