ECLI:NL:CRVB:2014:3235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstelplicht UWV wegens onvoldoende motivering terugkomen van intrekking AAW-uitkering
Betrokkene ontving sinds 1982 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), die in 1986 werd ingetrokken zonder beroep. In 2009 vroeg betrokkene een Wajong-uitkering aan, die aanvankelijk werd geweigerd omdat hij in staat werd geacht gangbare arbeid te verrichten. Na bezwaar kende het UWV een Wajong-uitkering toe met ingang van één jaar voor de aanvraag, maar kwam niet terug op de intrekking van de AAW-uitkering uit 1986.
Betrokkene stelde dat hij recht had op terugwerkende kracht vanaf 1986, ondersteund door medische diagnoses en een psychiatrisch rapport. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een bijzonder geval en kende de uitkering toe vanaf 1 november 1986. Het UWV besloot later alsnog positief op het verzoek terug te komen van de intrekking, maar beperkte de terugwerkende kracht tot één jaar voor de aanvraag.
De Raad oordeelt dat het verzoek van betrokkene moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het intrekkingsbesluit en dat het UWV dit moet beoordelen volgens artikel 4:6 Awb Pro. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en in strijd met de Awb. De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het gebrek te herstellen, met inachtneming van het feit dat het recht op uitkering ten onrechte is ingetrokken.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen wegens onvoldoende motivering bij het terugkomen van de intrekking van de AAW-uitkering.