ECLI:NL:CRVB:2014:3061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek kwijtschelding terugvordering Ziektewet-uitkering
Appellant had een Ziektewet-uitkering ontvangen over de periode van oktober 2006 tot juni 2007, die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) later als onverschuldigd betaalde uitkering terugvorderde. Het verzoek van appellant om kwijtschelding van deze terugvordering werd door het Uwv afgewezen, waarna appellant bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard.
Na een inkomens- en vermogensonderzoek stelde het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant vast op €562,63 per maand en het af te lossen bedrag op €281,31. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte zijn bezwaren niet had meegewogen, dat internationale verdragsbepalingen waren geschonden en dat zijn financiële situatie ernstiger was dan erkend, mede door beslaglegging op een private uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat alleen de juistheid van de vastgestelde aflossingscapaciteit ter beoordeling stond en dat de rechtbank dit correct had gedaan. De Raad verwierp de argumenten over internationale verdragschendingen wegens gebrek aan onderbouwing en achtte de latere beslaglegging niet relevant voor de beoordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding bevestigd.