Betrokkene was sinds 12 februari 2009 arbeidsongeschikt vanwege rugklachten. Het UWV stelde bij besluit van 18 januari 2011 vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en derhalve geen WIA-uitkering kreeg. De rechtbank Breda vernietigde dit besluit en oordeelde dat betrokkene recht had op een WIA-uitkering van 35 tot 80%, mede omdat de functie van wikkelaar niet passend zou zijn vanwege het vereiste VMBO-niveau.
In hoger beroep stelde het UWV dat de rechtbank ten onrechte de functie van wikkelaar had uitgesloten en dat betrokkene wel degelijk aan het opleidingsniveau voldeed door combinatie van opleiding en werkervaring. De Raad onderschreef de medische beoordeling van het UWV dat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt was per 10 februari 2011, en vond dat de bezwaararbeidsdeskundige voldoende had onderbouwd dat de functie van wikkelaar passend was.
De Raad oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld op minder dan 35% en dat betrokkene daarom geen recht had op een WIA-uitkering per die datum. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het besluit van 18 januari 2011 werd herroepen en betrokkene recht kreeg op een uitkering van 35 tot 80%, maar bevestigd voor het overige. Het UWV werd veroordeeld tot schadevergoeding wegens het onterecht toekennen van een hogere uitkering.