ECLI:NL:CRVB:2014:2771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder vanaf december 2011. Het dagelijks bestuur vermoedde dat appellant naast de bijstand inkomsten genoot uit werkzaamheden in de autobranche en liet een onderzoek uitvoeren. Op basis van dit onderzoek werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij voldoende gegevens had overgelegd om zijn recht op bijstand vast te stellen en dat het dagelijks bestuur al vroeg op de hoogte was van zijn werkzaamheden, waardoor volledige terugvordering onterecht zou zijn.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende inzicht had gegeven in de aard en omvang van zijn werkzaamheden en inkomsten, onder meer door het ontbreken van verifieerbare afspraken en onduidelijkheid over contante betalingen. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De Raad verwierp ook het beroep op jurisprudentie over termijnoverschrijding bij terugvordering, omdat hier sprake was van niet-naleving van de inlichtingenverplichting. De intrekking en terugvordering werden bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting worden bevestigd.