ECLI:NL:CRVB:2014:2704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-verjaring terugvordering onverschuldigde IOAW-uitkering
Appellanten ontvingen vanaf april 2000 een IOAW-uitkering die in 2006 deels werd ingetrokken wegens niet-woning op het opgegeven adres. De commissie vorderde terugbetaling van onverschuldigde uitkeringen over verschillende perioden, waaronder de jaren 2000-2005.
Appellanten betoogden dat de terugvordering verjaard was, omdat de commissie eerder op de hoogte had moeten zijn van de onverschuldigde betalingen. De rechtbank oordeelde echter dat de commissie pas na een onderzoek in december 2006 voldoende feiten kende om de onverschuldigdheid vast te stellen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van appellanten af. De Raad stelt dat de verjaringstermijn pas na het onderzoek is aangevangen en dat de commissie bevoegd is de terugvordering uit te voeren. De rechtbank mocht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten zonder een bestuurlijke lus op te leggen.
De Raad concludeert dat de terugvordering niet is verjaard en dat de commissie terecht de kosten van de onverschuldigde uitkering heeft teruggevorderd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de terugvordering van de onverschuldigde IOAW-uitkering niet is verjaard en wijst het hoger beroep af.