ECLI:NL:CRVB:2014:2675
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening WW-uitkeringsbesluiten wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant was werkzaam bij een metsel- en voegbedrijf en ontving vanaf januari 2004 een WW-uitkering. Het UWV trok deze uitkering in 2006 met terugwerkende kracht in, omdat Nederland niet bevoegd was, maar Duitsland. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit besluit. Later vorderde het UWV terugbetaling van de uitkering en legde een boete op wegens schending van de informatieplicht. Deze besluiten werden door rechtbank en Raad bevestigd.
Appellant verzocht in 2012 om herziening van deze besluiten, stellende dat hij ook in Nederland had gewerkt en dat de Duitse autoriteiten de loonadministratie hadden ingenomen, waardoor hij bewijsnood had. Het UWV wees dit verzoek af wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het verzoek om herziening overeenkomstig artikel 4:6 Awb Pro nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vereist, welke appellant niet had aangevoerd. Standpunten zonder nieuwe feiten zijn onvoldoende. Ook het wrakingsverzoek tegen de rechter werd afgewezen. Het bestreden besluit was zorgvuldig voorbereid en er was geen aanleiding voor nader onderzoek. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd wegens ontbreken van nieuwe feiten voor herziening.