Uitspraak
18 december 2013, 13/6458, 13/7129, 13/7136 (aangevallen uitspraak)
[appellant 2] te [woonplaats 2] (appellant 2)
[appellant 3] te [woonplaats 3] (appellant 3)
Centrale Raad van Beroep
Appellanten, kleinzoons en zoon van een Ambonese ex-militair van het KNIL, hebben herhaaldelijk verzocht om realisatie van sociale voorzieningen zoals van toepassing op militair personeel van het KNIL rond 1949-1950. Na eerdere afwijzingen en procedures hebben zij hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die zich onbevoegd verklaarde.
De rechtbank oordeelde dat de (groot)vader van appellanten geen gewezen militair was in de zin van de Militaire Ambtenarenwet 1931, omdat hij niet in Nederlandse openbare militaire dienst heeft gewerkt. Hierdoor ontbrak rechtsingang bij de militaire rechtbank. Appellanten betwistten dit niet, maar voerden aan dat er een bijzondere arbeidsrechtelijke verhouding met de Nederlandse regering bleef bestaan na 25 juli 1950, wat volgens hen rechtsgevolgen heeft.
De Centrale Raad van Beroep verwierp dit standpunt en bevestigde dat er geen sprake is van een onvoltooid ontslag en dat de rechtbank Den Haag terecht enkelvoudig bevoegd was. Het beroep op artikel 5 MAW Pro was niet relevant voor de afdoening van de beroepen. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de onbevoegdverklaring van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.