ECLI:NL:CRVB:2014:2516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-loonaanvullingsuitkering op medische en arbeidskundige gronden
Appellante was in dienst als schoonmaakster en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe, die later werd ingetrokken wegens het oordeel dat zij geschikt is voor haar eigen werk en andere functies. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig waren en de beperkingen juist waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar psychische stoornis onveranderd is en zij niet zelfredzaam is. Zij overhandigde een verklaring van haar psychiater ter onderbouwing. De Raad concludeerde echter dat deze verklaring geen nieuwe inzichten bood en dat de bezwaarverzekeringsarts terecht had vastgesteld dat haar situatie sinds 2007 niet wezenlijk was veranderd.
De Raad stelde vast dat het UWV zich terecht baseerde op voldoende medische en arbeidskundige gronden en dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk en de voorgehouden functies. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd daarom bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WGA-loonaanvullingsuitkering wordt bevestigd wegens voldoende medische en arbeidskundige gronden.