ECLI:NL:CRVB:2014:250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en terugvordering
Appellanten ontvingen sinds 1971 bijstand, waarbij het college hen als marginale zelfstandigen beschouwde en een vast bedrag van €113 per maand op de bijstand in mindering bracht. Na onderzoek door het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf en de sociale recherche bleek dat appellanten in de periode 2003-2010 aanzienlijk hogere inkomsten uit de handel in oud ijzer hadden ontvangen dan opgegeven.
Het college besloot daarop de bijstand vanaf 1 januari 2003 in te trekken en de ten onrechte ontvangen bedragen terug te vorderen. Appellanten voerden aan dat zij slechts het vaste bedrag hoefden op te geven, dat de afspraak niet schriftelijk was vastgelegd en dat zij de inkomsten niet zelf hielden maar voor derden handelden. Deze stellingen werden door de Raad verworpen vanwege gebrek aan bewijs en tegenstrijdigheden in verklaringen.
De Raad oordeelde dat appellanten de inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen, waardoor het college bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel faalde omdat appellanten zelf verantwoordelijk zijn voor juiste opgave en het college niet eerder bekend was met de omvang van de inkomsten. Ook het beroep op verjaring werd verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand en terugvordering bevestigd.