ECLI:NL:CRVB:2014:2466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens vermoedelijke oncontroleerbare inkomsten uit werkzaamheden in garagebox
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd verdacht van het verrichten van onbetaalde arbeid in een garagebox die door zijn broer werd gebruikt. Naar aanleiding van een anonieme tip voerde de gemeente Amsterdam waarnemingen uit, waarbij appellant meerdere keren werd gezien terwijl hij aan auto's sleutelde.
Het college trok de bijstand in met ingang van 1 januari 2011, later gewijzigd naar 20 juni 2012. Appellant voerde aan dat hij alleen toezicht hield vanwege de psychische problemen van zijn broer en stelde dat de waarnemingen inbreuk maakten op zijn privéleven. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond en beperkte de proceskostenvergoeding.
De Raad oordeelt dat de waarnemingen gerechtvaardigd waren op basis van een concrete anonieme tip en dat de garagebox als werkplek geldt. De aanwezigheid van appellant tijdens reguliere werktijden leidt tot de veronderstelling dat hij op geld waardeerbare arbeid verrichtte. De Raad bevestigt het intrekkingsbesluit vanaf 20 juni 2012, maar vernietigt de proceskostenveroordeling en veroordeelt het college tot vergoeding van volledige proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 20 juni 2012 wordt bevestigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van volledige proceskosten.