ECLI:NL:CRVB:2014:2465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving sinds 1982 een weduwenpensioen dat in 1996 werd omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na onderzoek door toezichthouders van de Sociale Verzekeringsbank in 2011 werd geconcludeerd dat betrokkene en haar medebewoner een gezamenlijke huishouding voeren. Dit leidde tot een besluit tot vermindering van de uitkering tot 30% van het bruto minimumloon.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat onvoldoende was aangetoond dat sprake was van wederzijdse zorg en vernietigde het besluit. De Raad beoordeelde het hoger beroep en concludeerde dat uit de onderzoeksbevindingen voldoende blijkt dat betrokkene en haar medebewoner zorg voor elkaar dragen, onder meer door gezamenlijke maaltijden, financiële bijdragen aan duurzame goederen en huishoudelijke hulp.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het besluit tot vermindering van de nabestaandenuitkering gehandhaafd blijft. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vermindering van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding.