ECLI:NL:CRVB:2014:2464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en intrekking bijstand op grond van WWB
Appellante en appellant ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht stelde na onderzoek vast dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, waarop de bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd.
Na bezwaar en een eerdere uitspraak van de rechtbank die het college terug verwees wegens onvoldoende motivering, heeft het college het besluit herzien en de bijstand ingetrokken vanaf 2 december 2005. De rechtbank verklaarde dit besluit ongegrond. Appellanten gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van appellante, waarnemingen nabij haar woning en bankafschriften van appellant, voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. De Raad benadrukt dat de aard van de affectieve relatie niet relevant is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand gehandhaafd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.