ECLI:NL:CRVB:2014:2454
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet woonachtig op uitkeringsadres
Betrokkene ontving sinds 2003 aanvullende bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het dagelijks bestuur ontdekte via een waterverbruiksonderzoek dat het waterverbruik op dat adres extreem laag was, wat duidde op feitelijk niet verblijf. Betrokkene verklaarde dat zij voornamelijk bij haar vriend en zus verbleef en feitelijk samenwoonde met haar vriend.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand met ingang van januari 2010 in en vorderde ten onrechte ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en herroept het besluit, omdat zij oordeelde dat de inlichtingenplichtschending niet tot het verlies van recht leidde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Op basis van het lage waterverbruik en de eigen verklaring van betrokkene is vastgesteld dat zij niet woonachtig was op het uitkeringsadres en daarmee haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Dit maakt het recht op bijstand niet vaststelbaar, wat intrekking en terugvordering rechtvaardigt.
Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand gehandhaafd.