ECLI:NL:CRVB:2014:2400

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2014
Publicatiedatum
16 juli 2014
Zaaknummer
13-16 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant had bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering, die in 2003 was afgewezen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na een eerdere bevestiging van dit besluit door de Raad in 2008, verzocht appellant in 2012 om herbeoordeling van zijn aanvraag. Het Uwv handhaafde het eerdere besluit omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn ziekte was verergerd en dat het onderzoek in 2003 onvolledig was. Tevens stelde hij vragen over het gebruik van verschillende burgerservicenummers (BSN) door het Uwv. De Raad oordeelde dat op verzoeken tot herziening artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wat inhoudt dat alleen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanleiding kunnen geven tot herziening.

Omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd, werd het verzoek terecht afgewezen. De uitleg van het Uwv over het gebruik van fictieve BSN's was afdoende. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

13/16 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
3 december 2012, 12/3257 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een reactie gegeven op het verweerschrift.
Het Uwv heeft op verzoek van de Raad een toelichting gegeven op de in het dossier genoemde burgerservicenummers (BSN).
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 4 juni 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. Hier wordt volstaan met het volgende.
1.2. Bij besluit van 6 oktober 2003 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hem ingaande 13 maart 1997 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt toegekend, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% is bepaald. Dit besluit is door de Raad bevestigd in zijn uitspraak van 13 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC6760.
1.3. Appellant heeft bij brief van 5 maart 2012 verzocht om zijn aanvraag voor een
WAO-uitkering opnieuw te beoordelen. Bij besluit van 30 mei 2012 (bestreden besluit), genomen op bezwaar, heeft het Uwv zijn besluit tot afwijzing van appellants verzoek gehandhaafd, omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zijn voorgevallen na het nemen van het besluit van 6 oktober 2003, of die niet voor het nemen van laatstgenoemd besluit konden worden aangevoerd, dan wel bewijsstukken van al eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet eerder konden worden overgelegd, zodat geen sprake is van nova als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellant (samengevat) aangevoerd dat het onderzoek in 2003 door het Uwv niet volledig is geweest, dat hij ziek is geworden toen hij in Nederland werkte, dat hij nog steeds vanwege ziekte niet kan werken en dat zijn ziekte is verergerd. Bovendien is hem niet duidelijk waarom het Uwv verschillende BSN gebruikt.
4.
De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Het verzoek van appellant van 13 maart 2012 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 6 oktober 2003.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van Pro de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden begrepen feiten en omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.3.
Vastgesteld wordt dat door appellant bij zijn verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, als beschreven in 4.2, heeft aangevoerd of informatie die als zodanig zou kunnen worden aangemerkt heeft overgelegd. Het Uwv heeft het verzoek van appellant dan ook terecht en op juiste gronden afgewezen. In dat wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het Uwv in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard. Hetgeen appellant in hoger beroep nog heeft aangevoerd met betrekking tot het gebruikte BSN kan daaraan niet afdoen, nu het Uwv in zijn brief van 16 april 2014 afdoende heeft toegelicht op welke wijze en waarom gebruik is gemaakt van een zogenoemd fictief BSN.
4.4.
Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) I.J. Penning
JvC