ECLI:NL:CRVB:2014:1973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstand wegens onvoldoende bewijs duurzaam gescheiden leven
Appellant en H waren gehuwd en hadden vier kinderen, waarbij het jongste kind geboren is op 14 november 2007. H ontving bijstand als alleenstaande ouder sinds 2002, maar het bestuur stelde dat zij en appellant niet duurzaam gescheiden leefden vanaf 1 februari 2007, waarna de bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd van beiden.
De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst voerde een onderzoek uit, waarbij verklaringen van buurtbewoners, werkgever en betrokkene zelf werden verzameld. Het bestuur concludeerde dat er geen duurzaam gescheiden leven was, maar de Raad oordeelde dat de periode vóór de geboorte van het jongste kind onvoldoende was gemotiveerd.
Voor de periode vanaf de geboorte van het kind was er wel voldoende bewijs dat appellant en H niet duurzaam gescheiden leefden, waardoor de terugvordering over die periode terecht was. De Raad vernietigde echter het besluit voor de periode 1 februari 2007 tot 14 november 2007 wegens gebrek aan bewijs.
Het bestuur werd opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen over de terugvordering, waarbij alleen de periode na 14 november 2007 in aanmerking komt. Tevens werd het bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode 1 februari 2007 tot 14 november 2007 en het bestuur moet een nieuwe beslissing nemen.