Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van werkgeefster in hoger beroep tot een bedrag van € 350,-;
- bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 466,- wordt geheven.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een terugvordering van onverschuldigd betaalde deeltijd-WW-uitkeringen die door het UWV van de werkgever werden gevorderd. De werkgever had namens zeven werknemers uitkeringen ontvangen, maar het UWV trok deze uitkeringen met terugwerkende kracht in omdat de werkgever eerder had deelgenomen aan een bijzondere werktijdverkortingsregeling.
De rechtbank had het beroep van de werkgever gegrond verklaard en het terugvorderingsbesluit vernietigd, omdat de WW-uitkeringen juridisch aan de werknemers toekomen en niet aan de werkgever. In hoger beroep stelde het UWV dat de wetswijziging in artikel 36 WW Pro een terugvordering bij de werkgever mogelijk maakt, maar de Centrale Raad oordeelde dat de wetswijziging dit niet impliceert.
De Raad benadrukte dat betaling aan de werkgever op basis van een machtiging juridisch gezien een betaling aan de werknemer is, en dat de wetgever geen grondslag heeft gegeven om terugvordering van de werkgever toe te staan. Ook de memorie van toelichting kan de letter van de wet niet vervangen. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan de werkgever.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat onverschuldigd betaalde deeltijd-WW-uitkeringen niet van de werkgever kunnen worden teruggevorderd.